| Wielrennertje spelen |
|
|
| Sunday, 15 March 2009 02:08 | |||
Artikel van Volkskrant verslaggever Bert WagendorpNieuwe ketting, alles scherp afgesteld; de lente is begonnen. Bonte groepjes mannen - vooral mannen, het worden er steeds meer - waaien over de wegen en luisteren naar het zingen van de bandjes. Nu zijn ze gelukkig Er ploft iets zwaars in de brievenbus. Het is een boek. Een fraai gebonden, rijk geïllustreerd prachtboek van Pieter Cramer en Huug Schipper. Het heet ‘De Nederlandse Toppen top-40, de steilste klimtrajecten op vaderlandse bodem voor fietsfanaten en wielerhelden, in kaart gebracht met schema’s, routes, historische achtergronden en beschouwingen.’ De duidelijkste titel sinds Het grote kamerplantenboek. En een boek dat tien jaar geleden nog als krankzinnig van de hand zou zijn gewezen. Maar nu niet meer. Op nummer 35 staat weliswaar de Van Brienenoordbrug, maar hé, dit is Nederland. Vlak land van steeds meer fietsfanaten en gedroomde wielerhelden, en die snakken naar iets dat officieel te boek staat als een klimmetje. Een top-40-klimmetje. Want pas in de klim, zo is algemeen bekend, wordt fietsen wielrennen. Hogere leeftijd Op één staat de Keutenberg, en ik geef het je te doen, de Keutenberg. Die doet pijn aan je poten. De fiets. Hij staat bij mij in de gang; een blauwe Pinarello Angliru. Net nieuwe bandjes, nieuwe ketting, alles scherp afgesteld; de lente is begonnen en aan de kim komt de zomer aangereden. Gelijk ’n oud tuig dat niet meer dienen zou, Keutenberg Volgens de laatste Rapportage Sport van het Sociaal- en Cultureel Planbureau, uit 2005, beschikte 11 procent van de Nederlanders over een racefiets, 16 procent van de mannen en 5 procent van de vrouwen. De fietsenbranche houdt de verkoop van racefietsen niet afzonderlijk bij, maar het kan niet anders, of het percentage bezitters is de afgelopen jaren gestegen. Dat is tenminste de stellige indruk van fietsenwinkeliers, organisatoren van toertochten, de Nederlandse Toerfiets Unie, de brancheorganisaties, fabrikanten en importeurs. En pak anders op een zondagochtend de fiets maar eens, dan zie je ze. Bonte groepen mannen – meestal mannen – waaien over de wegen. Ze komen je tegemoet of halen je in. Ze schreeuwen ‘tégen!’ of ‘pasterop!’; ze bellen niet, want een bel op je racefiets is niet cool – gaat Joost Posthuma morgen in Parijs-Roubaix soms bellend door het Bos van Wallers? Lichte gemeenschappen Groepjes hardlopers of wielrenners zijn, zegt Breedveld, voorbeelden van de moderne manier van clubvorming, nu familie, vereniging, kerk, straat, buurt of andere oude verbanden hun kracht hebben verloren. ‘Vaak zie je ze op zondagochtend. Dat zal geen toeval zijn. Ze vieren iets. En net als in het geloof, hoef je alleen maar te zeggen: ‘Ik geloof’, en je hoort erbij.’ ‘Lichte gemeenschappen’: Steven Rooks noemt het gewoon pelotonnetjes. In het profpeloton vergaarde Rooks faam en kapitaal, als winnaar van onder meer Luik-Bastenaken-Luik. Hij werd tweede in de Tour de France. Tegenwoordig organiseert hij toertochten en fietsclinics en begeleidt hij bedrijven die hun werknemers trainingsprogramma’s op de fiets aanbieden. Hij heeft het razend druk. Steven Rooks Classic De populaire tochten, zoals de toerversie van de Amstel Gold Race, hebben een maximum van vijftienduizend deelnemers, en zijn tegenwoordig binnen enkele dagen volgeboekt. In totaal worden in Nederland jaarlijks vierduizend toertochten georganiseerd. Bij het laatste grote bevolkingsonderzoek van het SCP, uit 2003, gaf bijna een kwart van de mannen tussen 6-79 jaar aan te wielrennen of toerfietsen, alleen zwemmen was populairder. De stijgende verkopen van (dure) fietsen zouden erop kunnen wijzen dat het percentage nog stijgt. De vereniging Le Champion hield in 1981 voor een mannetje of honderd de eerste Luik-Bastenaken-Luik. Nu zijn er vijfduizend deelnemers, meer mag niet. Ronde van Noord-Holland Ongeveer de helft van de vijfduizend deelnemers aan de zwaarste cyclosportive ter wereld, La Marmotte (176 kilometer in juli, over Croix-de-Fer, Télégraphe, Galibier en eindigend op Alpe d’Huez) bestaat elk jaar uit Nederlanders, van wie een meerderheid 40+ is. Waarom martelen die mannen zichzelf zo? Misschien heeft het iets te maken met de zoektocht naar de bron van de eeuwige jeugd. ‘Niemand wil meer oud zijn’, zegt bewegingswetenschapper en sportpsycholoog Edith Rozendaal. ‘Met de racefiets verleng je de jeugd. Mensen van vijftig waren vroeger oud, tegenwoordig kopen ze een racefiets en willen ze ook nog steeds beter worden.’ Ze bezoeken daartoe zelfs sportpsychologen en volgen strenge trainingsprogramma’s en diëten. Gigantisch Je ziet het bij de toertochten: veel grijze tinten boven de kleurige shirts. De gemiddelde leeftijd van de 5.200 leden van de NTFU is 49 jaar. Anders dan hardlopen, is fietsen een sport zonder blessures – afgezien van valpartijen. De al wat oudere kwetsbare knie houdt het op de fiets langer vol dan lopend. En er komen steeds méér 45-plussers die fit willen blijven. ‘We hebben klanten van in de tachtig’, zegt René Borsjes van Kroone Liefting in Limmen, in 2007 uitgeroepen tot tweewielerzaak van het jaar. ‘Die komen hier even een nieuwe racefiets kopen. Bij voorkeur een strakke Italiaan in een vlot kleurtje.’ Ducrot In het wiel! Met de kameraden! ‘Die schitterende hi-tech’, zegt Ducrot. ‘En dan toch helemaal op eigen kracht.’ Is dat het, wat de mannen boeit? ‘Natuurlijk is er ook de identificatie met de topcoureurs’, zegt Ducrot. ‘Ook bij die oude mannen. Het is naspelen wat je op televisie ziet. Gewone mannen veranderen in coureurs.’ En wielrennen, dat is een beetje anarchie, een beetje rock-’n-roll, een beetje gevaarlijk en een beetje lak aan de wereld – op z’n minst de illusie van vrijheid. De fiets, even geen gezeur aan de kop. ‘Het hardlopen is in toenemende mate gefeminiseerd’, zegt Koen Breedveld. ‘Daarvan is in het wielrennen geen sprake. Daar is nog altijd negentig procent man. Mannen wíllen er ook helemaal geen vrouwen bij, volgens mij. Het fietsen is de wereld van mannelijke kameraadschap, mannen onder elkaar, los van drukte en stress.’ Plaatsnaambordje Breedveld: ‘Met die fiets druk je je identiteit uit, toon je je leefstijl, je wens om je fit te voelen en er goed uit te zien. Het mag ook best een heel dure fiets zijn, waarmee je laat zien dat je het kunt betalen.’ Het mag wat kosten, een fiets, want je koopt er per slot van rekening een stukje jeugd mee terug. Een De Rosa van tweeduizend euro, daar schrikt de hoog opgeleide en goedbetaalde nieuwbakken midlifecrisisrenner echt niet van. Fietsen is een combinatie van consumentisme en calvinisme, denkt Breedveld. Dure spullen en je eerst in het zweet werken voor je moment van genot: top gehaald. Edith Rozendaal: ‘Het is een coping strategy, een manier van omgaan met spanningen. Een uitingsvorm ook. Als je hem mensen afpakt, worden ze chagrijnig.’ Verdiepte waarneming Fietsen is een vorm van zoemmeditatie, het zoemen doen de bandjes. Fietsen is een antidepressivum dat werkt. ‘En je kunt lekker in iemands wiel gaan zitten’, zegt Steven Rooks, de oude prof. ‘Dat is wel zo comfortabel.’ ‘Het is net als bij de cowboys’, zegt Maarten Ducrot. ‘Wanneer die samen een tocht hadden volbracht, was er een onverbrekelijke band ontstaan. We rode together. Dat is wat wielrennen ook doet, op alle niveaus.’ Want door m’n fiets mag ik verhopen Spelen Marc Van den Bossche: ‘Het is overigens een misverstand te denken dat ik aan sport doe. Ik speel.’ O, m’n fiets gij zijt
|